Vreemde bedden en een brief

Thuis zijn… daar is het veilig. Daar lig je in bed, terwijl je ouders nog even praten. Tenminste, zo zou het moeten zijn. Voor sommige kinderen is dit minder vanzelfsprekend. Een verhaal over winterse kou, slapen in onbekende zalen en een bijzondere thuiskomst.

Het is al een tijd donker aan de Amsterdamse grachten. Kleermaker Albert Heyhart strekt zijn vermoeide ledematen nog eens en vervolgt zijn ronde. De zeventiger loopt ’s avonds zijn vaste ronde als nachtwacht. Halverwege het pad langs het immense Aalmoezeniersweeshuis blijft hij stilstaan. Hij hoort gehuil.

‘Ach, arme toch,’ zegt hij, terwijl hij het kindje oppakt, gewikkeld in een wit wollen dekentje, en brengt het naar de poort van het gebouw. Portier Dirk Simon Klij doet open. ‘Alweer één,’ bromt hij. Hij herkent de aangever. Straks zal hij proces-verbaal moeten opmaken van de zestiende vondeling in zestien dagen tijd. Het jaar 1819 is nog maar net begonnen, gelukkig voor het baby’tje met vrij mild weer.

Eenmaal binnen inventariseert hij het ongelukkige bundeltje: onder het dekentje, ingepakt in een borstrok, hemd en een luier ligt een pasgeboren meisje. Ze draagt nog een navelbandje en moeder heeft er een drinkflesje bij gedaan. En een briefje.

‘Versoek dit kind in de Gerefermeerde religie te laate doope de naam Jacoba Corneelese Geboore den 29 december 1818.’ Een dag later wordt het kindje gedoopt in de gereformeerde kapel bij het Aalmoezeniersweeshuis. Het grote pand zal ze verder niet van binnen zien. Omdat ze nog zo jong is, wordt ze bij een min geplaatst, weesnummer 166. Hendrika Evers op de Lindegracht zal tegen betaling voor haar zorgen. Het is het begin van een leven vol noodgedwongen verplaatsingen.

Na twee maanden komt ze bij een min aan de Foeliedwarsstraat, nauwelijks een week later verhuist ze alweer en in september 1820 nog eens. Geven de minnen geen melk meer? Of hebben ze te veel kinderen om voor te zorgen? Wie zal het zeggen…

Maar dan verandert er iets drastisch: ‘na Veenhuizen’ staat er bij 5 juli 1825. Jacoba, slechts zes jaar oud, moet net als veel andere Amsterdamse wezen naar het verre noorden. Daar staan sinds kort de drie wezengestichten van de Koloniën van Weldadigheid. De koning heeft besloten dat zij daar goedkoper en beter opgevangen kunnen worden. Zo vertrekt ze over de Zuiderzee, uit de enige plaats die ze ooit gekend heeft.

De Koloniën van Weldadigheid zijn in 1818 op initiatief van Johannes van den Bosch gesticht om de grote armoede in het land te bestrijden. Wat begon met de Proefkolonie, nu Frederiksoord, is uitgegroeid tot een systeem van landbouwkoloniën in de noordelijke provincies én het tegenwoordige België. De Vrije Koloniën zijn bedoeld voor ‘welwillende armen’: gezinnen die door pech in armoede verzeild zijn geraakt. Dan is er ook nog de Ommerschans, een groot gesticht waar bedelaars en landlopers worden opgevangen. Ook ‘vrije kolonisten’ die zich niet aan de koloniale tucht kunnen onderwerpen, komen hier terecht. Maar voor weeskinderen was er nog niets.

Hoewel… Van den Bosch is een soort pleegzorg avant la lettre begonnen in zijn Vrije Koloniën. Veel Nederlandse steden en dorpen hebben sinds 1818 organisaties om gezinnen te selecteren en geld in te zamelen voor de Vrije Koloniën, zogenaamde ‘subcommissies’. De subcommissie Sloten was zo creatief om met ‘hun’ gezin ook een weesmeisje mee te sturen. Geeske Durks Gadsonides had niemand en kon het gezin mooi meehelpen met de verplichte werkzaamheden. Dat smaakte naar meer voor Johannes en zijn koloniedirectie.

Er werden contracten opgesteld. Voortaan mochten subcommissies tegen betaling ook groepjes weeskinderen opzenden, samen met een kinderloos echtpaar. Die mensen konden voor hen zorgen vanuit hun eigen boerderijtje.

In 1823 droomt Johannes van den Bosch nog steeds groots. Zijn koloniën moeten zich uitstrekken van Steenwijk tot Groningen. Zo kan er echt een einde gemaakt worden aan armoede. Maar, het enthousiasme bij het volk loopt terug en het geld raakt op. Als hij nou eens een contract sluit met de Staat voor de opname van een groot aantal weeskinderen? Die kunnen dan in grote gestichten onder de zorg van ouderloze echtparen opgroeien tot ‘nuttige burgers’. Het idee voor Veenhuizen is geboren.

Maar even serieus, duizenden kinderen in grote gebouwen in een uithoek van het land, verzorgd door mensen zonder pedagogische kennis, is dat niet vragen om problemen? Ja, vindt ook prins Frederik. Hij eist aanpassing van de plannen. Het is een compromis: de gestichten komen er, maar zonder groepskamers voor kleine clubjes kinderen. In plaats daarvan worden zij opgevangen in zalen van tachtig kinderen, onder toezicht van één echtpaar.

En zo komt ook Jacoba in 1825 aan. Ze krijgt nummer 1488. Het leven in Veenhuizen is zwaar. Het dagritme en de verzorging lijkt veel op dat in de weeshuizen in de rest van het land: slapen, werken, eten. Een groot verschil is dat de kinderen op het land moeten werken, de jongens althans. Jacoba moet vanaf haar zesde weven en spinnen of zorgen voor de huishoudelijke taken. Ze gaat er ook naar school, want in de Koloniën is onderwijs belangrijk. Alleen zo kunnen de kinderen hun vroegere armoede ontstijgen. Zo werkt en leert ze dag aan dag. Pas als ze volwassen is, zal ze de kolonie Veenhuizen mogen verlaten. En dan? Familie heeft ze niet en de overvolle steden zitten niet te wachten op nieuwelingen die om werk vragen. Haar beste kans is dienstmeisje worden in Amsterdam. Daar is ze geboren, dus die stad mag haar niet weigeren. Maar haar leven neemt een bijzondere wending.

In de zomer van 1835 stapt Jacoba aan boord van een schip, een brok in haar keel. Nog een dag reizen en dan… een zestienjarig meisje, alleen in die grote stad. Ze heeft verlof gekregen, twee weken lang. Ze zal proberen een dienstje te krijgen bij een van die statige panden. Als het lukt, mag ze wegblijven uit het afgelegen Veenhuizen, waar ze al tien jaar het lawaai van tientallen lotgenoten moet aanhoren.

De klokken klinken overal in de stad. Voordat ze de loopplank afloopt, strijkt ze nog een weggewaaide lok onder haar mutsje. Ze zal zich op haar netst moeten vertonen. Verdwaasd door alle onbekende geluiden en geuren van wat ooit haar thuis was, loopt ze de avond in.

Kort daarop krijgt de koloniedirectie een brief uit Amsterdam. Een echtpaar verzoekt ‘verlenging van verlof voor Jacoba Cornelisse […] om reden dat wij Jacoba tot ons wilde nemen, want dat wij haar ouders zijn.’ Het stel uit de Jordaan had het meisje vóór hun huwelijk gekregen. Berooid, afhankelijk van armensteun, hadden ze ongetwijfeld gevreesd die steun niet te krijgen vanwege hun voorhuwelijkse kind. Wat een groot geluk, dat zij haar na zestien jaar in goede gezondheid terugvinden! Jacoba wordt inderdaad dienstmeisje, aan de Keizersgracht. Maar er is een groot verschil; ze is nu echt thuis.

Voor veel wezen, vondelingen en verlaten kinderen liep het leven in de stadse weeshuizen en Veenhuizen helaas minder goed af. Velen sterven een jonge dood of blijven enkel leven voor een bestaan in bittere armoede. Dit is de uitzichtloosheid van de negentiende eeuw. Anderen slagen, dankzij het onderwijs en de regelmaat van de koloniën inderdaad in het ‘verheffen van hun stand.’ Een enkeling schopt het zelfs tot onderwijzer of ambtenaar.

Duik in de levens van deze kinderen in het Gevangenismuseum. Zie hoe de wezenkolonie Veenhuizen zich ontwikkelt tot bedelaarsgesticht en uiteindelijk gevangenisdorp en leer over dit unieke sociale experiment dat nu op de UNESCO Werelderfgoedlijst staat.

 

Alfred Geerts (1984) is sinds 2019 educator voor Museum De Proefkolonie Frederiksoord. In 2022 studeerde hij af als historicus op de Koloniën van Weldadigheid, met een focus op het vanuit herinneringen geconstrueerde narratief in de ‘nadagen’ van dit sociaal experiment. Hij werkt sinds die tijd eveneens als museumcurator voor De Proefkolonie. In die rol mocht hij meewerken aan de tentoonstellingen KansArm? over hedendaagse armoede en Retour Maatschappij, die alle Koloniën van Weldadigheid verbindt. Vanaf 2025 werkte hij samen met het team Veenhuizen aan de geheel nieuwe tentoonstelling in het Gevangenismuseum.

Verhalen van anderen - Achtergrondverhalen