Leven in de Proefkolonie

‘Dit is de schoonste dag van mijn leven. Heel Nederland, ook het koninklijk huis, wil dat dit dorp wordt gerealiseerd, om een einde te maken aan de groeiende armoede die ons land teistert en de maatschappelijke onrust.’ Dit waren de woorden van bedenker en oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid Johannes van den Bosch op 25 augustus 1818 bij de eerstesteenlegging van de Proefkolonie. Twee maanden later, op 29 oktober, arriveerden de eerste kolonisten. Hoe zullen de twee broers, Johannes en Benjamin van den Bosch, erbij gestaan hebben toen de eerste ossenkarren met nieuwe bewoners in zicht kwamen? Hoe reageerden deze nieuwe bewoners op de hoeves, hun nieuwe leven?

Op basis van feiten neem ik je graag mee terug in de tijd, naar het begin van dit sociaal experiment. ‘Eindelijk heeft de commissie, met erkentenis vervuld jegens den vorst, onder wiens invloed en geleide de eerste kolonie gevestigd is, en wenschende zoo de kolonisten zelve als geheel de natie, tot in de nageslachten, aan deze naauwe verplichting jegens Hoogstdenzelven en geheel het Koninklijk Huis, dankbaar te herinneren, vastgesteld dat die kolonie voortaan den naam zal dragen van FREDERIKSOORD.’ Staatscourant, 21 oktober 1818 Een waterige zon schijnt over het landgoed. Johannes en Benjamin van den Bosch wachten op de eerste kolonisten die elk moment kunnen arriveren. De van oorsprong eenvoudige jongens uit een Betuws dorp zijn gekleed in militair kostuum. De koperen knopen glanzen. Johannes’ sabel hangt boven zijn gepoetste laarzen, op zijn jasje gouden epauletten en speldjes, bewegend door een briesje. Zo staan de broers op de oude Vledderweg, zij aan zij, koesteraars van een gezamenlijke droom: een landbouwende kolonie waar armen op onontgonnen land bijeen worden gebracht om hen te bekwamen in veldarbeid. De broers hadden de omstandigheden gecreëerd om hen te verheffen.

Een glimlach van trots verschijnt op hun gezichten. Aan de overkant, pal na de sloot aan de zandweg – waar tot voor kort schuw en eenzaam een korhoen dwaalde op zoek naar een baltsplek om te klokken, te springen en te paren – is land ontwoekerd aan de natuur. Op het uitgestrekte land is in nog geen twee maanden tijd een kolonie verrezen, een nieuw dorp: Volksplanting Westerbeeksloot, de Proefkolonie. Het hele landgoed is omgeven door water, waaronder het riviertje Vledder Aa aan de zuidkant en de Westerbeeksloot aan de westkant.

‘Mon frère.’ Johannes legt een bemoedigende hand op Benjamins schouder. Bemoedigend, omdat Benjamin de nobele taak van directeur op zich heeft genomen, voor de helft van zijn gage dat hij normaal verdiende als kapitein van het 31e Bataljon Infanterie in Oostende. Johannes denkt terug aan afgelopen maanden.

Terwijl Benjamin in de zomer van 1818 met zijn laarzen hier in de modder stond, was Johannes bezig om in het Haagse het startkapitaal bijeen te brengen. Circulaires werden verzonden aan gouverneurs van provincies, burgemeesters van steden, commandanten van militaire garnizoenen en vanaf kansels werden oproepen gedaan. Johannes wist met zijn charme zelfs notabelen te overreden plakkaten te verspreiden in de betere buurten, van deur tot deur, om contribuanten te werven. Geld en gulle giften bleven maar binnenstromen. Ook koning Willem I verleende financiële steun.

In de verte doemen silhouetten op. Ossenkarren schudden heen en weer, zwaar en traag. Vlak na de klapbrug over de Westerbeeksloot komen ze tot stilstand. ‘Afstappen allemaal!’ roept de drijver. Vijf families kijken om zich heen. De een kijkt met grote ogen, de ander nieuwsgierig of bedrukt. Vrouwen slaan hun handen voor hun mond of praten geestdriftig door elkaar, kinderen reageren blij. Daar staan tweeënvijftig rietgedekte huisjes, elk netjes in het gelid, met een eigen lapje bouwland eromheen, verdeeld over vier rijen. In het midden, waar de lanen kruisen, is het centrale plein met een kookhuisje en een hoeve. Achteraan op het landgoed zijn nog bouwactiviteiten gaande, maar de meeste huisjes zijn klaar voor hun bewoners, het schoolgebouw kan in januari in gebruik genomen worden.

Opgetogen kinderstemmen klinken. Er zijn hier geen klinkertjes, geen smalle steegjes, geen kerk, maar de huisjes hebben wel rieten daken en luiken voor de echte ramen en een deur aan de zijkant. Heel wat beter dan hun armetierige stadswoningen of de houten, lekkende krotten, waar een eeuwige kille tocht 11 door de kieren waaide en vanuit de grond opsteeg. Waar het in de winter niet te harden was, zo koud. De kolonisten veren op als twee militair uitziende mannen, die links langs de weg voor een wit gebouw stonden te wachten, op hen af beginnen te lopen. De strenge meneren zijn genaderd. Ze zien er belangrijk uit en kijken ernstig. Ze dragen kleren die helemaal niet vuil zijn, zonder gaten en ze hebben nette tanden. De families staan als een kluitje bij elkaar geschoven, jong en oud door elkaar. Familie Westerveld, Weender, Metz, Biemans en Van der Heijde. De oudste van de mannen komt wijzer en daadkrachtiger over en zijn uniform is ook indrukwekkender.

De kolonisten worden welkom geheten door de mannen, die broers blijken te zijn. De families worden streng toegesproken. Plichten en rechten… netjes leven… regelementen… hard werken… lessen in landbouw en spinnen… plaggen afsteken en spitten. Bij het woord ‘eten’ wordt er beter geluisterd. Etenstijd wordt aangekondigd door de geur uit het nieuwgebouwde kookhuis, de menage, midden op de kolonie, want zolang er nog niets op het land groeit, bereidt de Maatschappij de spijzen en kan elk gezin daar straks met een pannetje een warme maaltijd halen. Directeur Benjamin en generaal-majoor Van den Bosch en een aantal onderofficieren gaan hen straks voor bij het kiezen van een huisje. Ze laten daar nog het een en ander zien en elk gezinshoofd mag een handtekening of kruisje zetten onder het reglement en de voorwaarden; een contract van zestien jaar. Er wordt wat bedremmeld geknikt op de plechtige woorden en dan roept Johannes van den Bosch: ‘Ingerukt.’ Vol verwachting zwermen de vijf gezinnen, onder leiding van de zes mannen, uit over de kolonie. De bezittingen of plunje worden later met karren afgeleverd. Het gezin Biemans heeft de eer dat de directeur met hen meeloopt. Honderd meter na de voormalige herberg Het Logement, waar het Sterrenbos achter ligt, en waar ze hout mogen sprokkelen, zijn ze de brede laan ingeslagen. Aan weerszijde staan koloniehuisjes. ‘Feitelijk begint hier de kolonie,’ zegt de directeur. ‘In de eerste twee woningen zitten de opzichters. En zien jullie daar in de verte de boerderij, aan het einde van deze weg? Die stond hier al.

Daar woont de onderdirecteur. Hij voert een winkel voor extra zaken als zeep, turf, tabak en suiker. En daarachter, in de schuur, is de spinzaal waar les in spinnen gegeven wordt. En links van de boerderij is een waterput gegraven die uitmuntend water oplevert.’ Benjamin van den Bosch wijst op het plein, waar verderop het gebouw met de gaarkeuken, het kookhuis, te zien is. Ze stoppen voor een van de laatste huisjes aan de rand, dat uitkijkt over velden tot aan de horizon. Binnen kijkt het gezin Biemans rond. De woonkamer is helemaal ingericht, met een echte tafel en zeven stoelen en een kast. Er is een doofpot voor nasmeulende stukken turf en er staat een snotneus, een olielamp. ‘Voor de dames met koude voeten zijn er stoven,’ zegt Van de Bosch. ‘En er is een spiegel voor uw aller verzorging. We houden van betamelijk en zo kunt u uw voorkomen mooi controleren.’ De meneer lacht vriendelijk en toont hen alles. Dit huisje is mooier dan alles wat ze ooit hebben gezien. Moeder kan haar opwinding nauwelijks bedwingen en wil alles aanraken. Er is eenvoudig kookgerei met een sauspannetje en er zijn een waterketel, borden, bestek en theegoed in de kast. Ook staan er een groot en klein spinnenwiel voor het vlas en de wol. Ze volgen de meneer naar de schuur. Hij laat de attributen zien: voor de huisvrouw een bezem, dweil en platte boender en een weefgetouw en voor de man des huizes schoppen, een bijl, zeis, mestvork en kruiwagen. Ook ligt er een stapel turf. De losse trap leidt naar de zolder waar twee slaapkamertjes met bedsteden zijn. Op de bultzakken liggen echte peluws, dekens en beddenlakens.

Wat zullen ze hier lekker slapen in plaats van op de koude harde grond waar in de nachten hun botten hunkerden naar warmte en zachtheid! ‘Jullie hebben nette spulletjes,’ benadrukt de directeur. ‘En het zou fijn zijn als jullie je daar ook naar 12 gedragen.’ Ze knikken deemoedig. Hij wijst hen op het privaat. Een ton in de grond met twee planken. ‘Eronder loopt een goot die naar de opvangbak buiten leidt, waarin ook dierlijke mest wordt opgevangen. Elke zaterdag de schone taak om dat geheel door te scheppen met stro en kalk, om er een mengsel voor op het land van te maken.’ Hij zegt nog iets over een koe die elke kolonist krijgt als het zaaigoed en gras tot wasdom is gekomen. Meneer de directeur praat door over het ochtendappel, de zesdaagse werkweek, waarvan zaterdag op eigen land wordt gewerkt. De directeur loopt naar de tafel waar een aantal paperassen op liggen. Hij doopt de ganzenveer in het inktpotje ernaast. ‘Kunt u dan hier uw handtekening zetten?’ Hij wijst onderaan het vel en geeft de pen aan de huisvader. ‘Een kruisje is ook goed,’ zegt meneer de directeur als hij bedenkt dat de man waarschijnlijk niet kan lezen of schrijven. De huisvader zet een kruisje en schuift de paparassen terug. Meneer van den Bosch steekt de vellen onder zijn arm. Voor het weggaan meldt hij dat katholieken en joden voor de kerkgang naar Steenwijk kunnen en protestanten alleen maar naar Vledder hoeven te lopen.

De dagen erna druppelen steeds meer gezinnen binnen en begin december zullen alle hoeves bezet zijn, ruim driehonderd zielen. Benjamin van den Bosch staat buiten. Terwijl hij terugloopt ziet hij weer even de afgeteerde gezichten van de zojuist gearriveerde kolonisten voor zich. Mannen en vrouwen, vies en vermoeid. Allen zijn getekend door langdurig gebrek. Er is er een hoogzwanger, een met een verwaarloosde wond, een schamel gebit, maar hij ziet ook gezichten met een jeugdige glans. Het is fijn dat hij deze mensen kan helpen en hij zal doen wat in zijn vermogen ligt. De kolonisten gaan hier een beter leven tegemoet. Hij wedt dat ze zo’n complete huisraad nooit eerder in bezit hebben gehad, laat staan lakens en een spiegel. Ooit zullen ze terugkijken op deze dag als het begin van hun ontsnapping aan de uitzichtloosheid van hun bestaan. Hun nazaten zullen hun dankbaar zijn. Zo moet het ongeveer gegaan zijn. Wat Benjamin dan nog niet kan vermoeden is dat de problemen zich rap zullen opstapelen.

Patricia Snel is auteur, redacteur en spreker. In juni 2026 komt haar tweede historische roman De wees van Westerbeek uit. Hierin neemt ze je mee naar 1818, de beginperiode van de Proefkolonie in Frederiksoord.

Verhalen van anderen - Achtergrondverhalen